BERH: TH13 BS7 Transplantaties en bloedtransfusies

13.7: Transplantaties en bloedtransfusies
1 / 33
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvmbo t, mavoLeerjaar 4

In deze les zitten 33 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

13.7: Transplantaties en bloedtransfusies

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lesverloop

  1. Leerdoelen BS7
  2. Leer met deze LessonUp en je boek.
  3. Kennis testen.
  4. Aan de slag: maak alle opdrachten in het boek.

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies



  • Transplantatie
  • Auto-immuunziekte
  • Bloedgroepen
  • Antistoffen
  • Bloedtransfusie
  • Resusfactor
  • Zwangerschap
  • Bloedgroepbepaling



13.7.1 Je kunt de problemen beschrijven die het afweersysteem veroorzaakt bij transplantaties en auto-immuunziekten.

13.7.2 Je kunt de rol van bloedfactoren bij bloedtransfusies en de rol van de resusfactor bij zwangerschap beschrijve
Leerdoelen
Waar gaat BS7 over?

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Transplantatie
= Vervanging van een aangetast weefsel of orgaan door een ander weefsel of orgaan.

Je kunt een orgaan of weefsel krijgen:
  • Van patiënt zelf >> lichaamseigen
  • Van donor >> kan leiden tot een afstotingsreactie:  eiwitten (antigenen) op de cellen van het getransplanteerde weefsel of orgaan worden herkend als lichaamsvreemd. Het lichaam gaat antistoffen maken tegen deze antigenen. Donorweefsel of orgaandonor wordt afgestoten. 
  • Met medicijnen zijn deze afstotingsreacties af te remmen.
  • Xenotransplantatie = organen van een dier ontvangen (bv. varken)

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Orgaantransplantaties
Organen van een ander krijgen:
  • Huid
  • Nier
  • Bot
  • Kraakbeen
  • Bloedvaten
  • Hoornvlies
  • Hart
  • etc...

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Auto-immuunziekte
= Ziekte waarbij het afweersysteem antistoffen maakt tegen een lichaamseigen eiwit.

Cellen met dit eiwit worden dan vernietigd. Dit wordt een auto-immuunziekte genoemd. 

Voorbeeld: reuma
Het afweersysteem herkent een bepaald eiwit uit het gewrichtskapsel niet meer als een lichaamseigen eiwit >> valt eiwit aan >> gewrichten raken ontstoken.

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bloedfactor
= Stof op het celmembraan van rode bloedcellen die bij een ander als antigeen kan werken.


  • Bloedfactor A
  • Bloedfactor B



Welke bloedfactoren je wel/niet hebt bepaald welke bloedgroep je hebt. 

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bloedtransfusie
  • Bij bijvoorbeeld een ongeluk kun je bloed van een ander ontvangen: bloedtransfusie

  • Ook hier is er kans op een afstotingsreactie. 

  • Een patiënt moet dan bloed ontvangen van een donor met dezelfde bloedgroep.

Slide 8 - Tekstslide

Bij een bloedtransfusie krijgt iemand bloed van een andere persoon (de donor). Het beste is donorbloed van dezelfde bloedgroep. In noodgevallen kan men bloed van een andere bloedgroep geven. Maar in het bloed van de ontvanger mogen géén antistoffen aanwezig zijn tegen de bloedfactoren van de donor. Is dit wel het geval, dan reageert de anti-A met bloedfactor A, of anti-B met bloedfactor B. De rode bloedcellen klonteren dan samen. Bloedklontering vindt bijvoorbeeld plaats als een ontvanger met bloedgroep 0 donorbloed krijgt toegediend van bloedgroep A (zie afbeelding 3).
De ontvanger met bloedgroep 0 heeft anti-A in het bloedplasma. Het anti-A van de ontvanger reageert met bloedfactor A van de donor: het bloed klontert samen. De samengeklonterde bloedcellen blijven steken in de haarvaten, met zeer schadelijke gevolgen.
De antistoffen in het bloed van de donor worden door de bloedtransfusie zo verdund dat ze geen schadelijke samenklontering van rode bloedcellen van de ontvanger veroorzaken.
ko
MIS de VOLGENDE FILM niet!
uitleg bloedgroepen (ABO + Resusfactor)





Slide 9 - Tekstslide

Vul voor jezelf aan
Substraat: is wat wordt omgezet/verwerkt in een enzym
Active centrum: waar substraat bind met enzym
reactieproduct: wat uit de reactie komt

Slide 10 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Bloedgroepen= type bloed met of zonder bepaalde bloedfactoren.
In het bloedplasma zitten antistoffen tegen de bloedfactoren die bij deze persoon zelf niet op de rode bloedcellen voorkomen.
bestudeer dit plaatje!

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

In ieders bloedplasma zitten antistoffen tegen bloedfactor (antigeen) dat zij niet hebben. 
Wanneer er bloed gegeven wordt aan iemand met antistoffen tegen de bloedfactoren van deze persoon, klonteren de rode bloedcellen samen. 

bestudeer dit plaatje!

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Oefenen!
Raad of het gaat het samenklonteren of niet

Bloedtransfusie: ABO

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

raad of het gaat het samenklonteren of niet

Bloedtransfusie: ABO

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Kan iemand met bloedgroep A bloed (of een orgaan) ontvangen van iemand met bloedgroep 0?
A
Ja
B
Nee

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Mensen met bloedgroep AB kunnen van iedereen bloed (of een orgaan) ontvangen.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Mensen met bloedgroep 0 hebben geen bloedfactoren (eiwitten op het celmembraan van rode bloedcellen).

Waarom kunnen ze alleen bloed (of een orgaan) ontvangen van mensen met bloedgroep 0?

Slide 17 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Mensen met bloedgroep A of B kunnen geen bloed of orgaan ontvangen van mensen met bloedtype AB.

Waarom?

Slide 18 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Bloedgroepbepaling
Bij de bloedgroepbepaling van een persoon gebruikt men drie testsera:
• een serum met anti-A
• een serum met anti-B
• een serum met antiresus

> Van elk van deze testsera wordt een druppel samengebracht met een druppel bloed van deze persoon. 
> De druppels worden goed gemengd, waarna het bloed samenklontert of onveranderd blijft (zie afbeelding). 
> Hieruit is af te lezen welke bloedgroep de persoon heeft.

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Overzicht 
bloedgroepen - bloedtransfusies + transplantaties

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wanneer beide nieren niet goed werken, wordt soms een niertransplantatie uitgevoerd. In het lichaam van een nierpatiënt wordt dan een gezonde nier geplaatst van iemand anders, de donor.
Lichaamsvreemde stoffen in de donornier kunnen na zo’n transplantatie een
afstotingsreactie in het lichaam van de ontvanger veroorzaken.

Waaruit bestaat zo’n afstotingsreactie?

A
rode bloedcellen maken antigenen
B
rode bloedcellen maken antistoffen
C
witte bloedcellen maken antigenen
D
witte bloedcellen maken antistoffen

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Transplantatie kan alleen slagen als de eiwitten op de cellen, het zogenaamde weefseltype, van de donor en van de ontvanger niet te veel verschillen. Daarnaast is transplantatie alleen mogelijk als het bloed van de ontvanger géén antistoffen bevat tegen bloedgroep-antigenen van de donor.

Anne is nierpatiënt. Haar man Joris biedt zich als nierdonor voor Anne aan. De weefseltypen van beiden komen voldoende overeen. Anne heeft bloedgroep B en Joris heeft bloedgroep A. Gelet op de bloedgroepen is Joris geen geschikte donor voor Anne.

Wat is hiervoor de reden?

A
Het bloed van Anne bevat anti-A
B
Het bloed van Anne bevat anti-B
C
Het bloed van Anne bevat antigeen A
D
Het bloed van Anne bevat antigeen B

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vraag (volgende slide)
Sinds kort past men in een Nederlands ziekenhuis zogenaamde ‘ruiltransplantaties’ toe.
Voor Anne en Joris wordt zo’n transplantatie met een ander stel overwogen. Van elk stel (een getrouwd paar, vrienden of familie) heeft de één zieke nieren, de ander gezonde nieren (zie  afbeelding). Als gelet wordt op de weefseltypen komen drie paren voor een ruiltransplantatie met Joris en Anne in aanmerking. In de tabel hieronder staan de bloedgroepen
van deze drie paren vermeld.


Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Als gelet wordt op de bloedgroepen, welk paar is dan geschikt om met Joris en Anne een ruiltransplantatie te ondergaan?

A
paar 1
B
paar 2
C
paar 3

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Resusfactor 
Naast de bloedfactoren A en B zijn er nog meer bloedfactoren. Een daarvan is de resusfactor (het resusantigeen)

  • 85% v/d mensen is resuspositief (Rh+) >> resusfactor aanwezig op celmembraan rode bloedcel.
  • 15% v/d mensen in resusnegatief (Rh-) >> Resusfactor afwezig: deze mensen kunnen antiresus maken: antistof tegen de resusfactor. 

Als een patiënt met resusnegatief bloed (bijvoorbeeld A Rh−) resuspositief bloed (bijvoorbeeld A Rh+) ontvangt, zal deze persoon antiresus maken.



Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

zwangerschap
De resusfactor kan ook problemen geven bij zwangerschap. 
Dit is het geval als een resusnegatieve vrouw (Rh-) zwanger is van een resuspositief kind (Rh+)

Tijdens de bevalling kunnen lekken in de placenta ontstaan >> hierdoor komen rode bloedcellen van het kind in de bloedsomloop van de moeder terecht >> de moeder maakt dan antiresus tegen de binnengekomen rode bloedcellen met de resusfactor. Voor het eerste kind heeft dit geen gevolgen, omdat de moeder langzaam antiresus maakt. 
Wel probleem bij moeder met Rh- moeder die voor de tweede keer bevalt van Rh+ kind:   
  • Antiresus komt via de placenta in bloed van kind terecht
  • Rode bloedcellen van kind gaan klonteren
  • Hersen en nierbeschadiging kind  

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het ontstaan van een resuskind
1ste kind

2de kind

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoe voorkomen we een resuskind?
Als een resusnegatieve moeder zwanger is van een eerste resuspositief kind, krijgt ze in week 30 van de zwangerschap en vlak na de bevalling antiresus geïnjecteerd. Daardoor maakt de moeder zelf geen antiresus aan en wordt er bij een tweede zwangerschap van een resuspositief kind geen resuskind geboren.

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

ko
VOLGENDE LINK!
Resusfactor en zwangerschap - bioplek





Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 30 - Link

Deze slide heeft geen instructies


  1. Lees de §13.7 in je boek.  
  2. Maak alle opdrachten + extra opdrachten + samenhang
  3. Maak aantekeningen van wat je geleerd hebt. 
  4. KIJK NA!
  5. Doe de Test Jezelf online.
  6. Vragen? Noteer deze.

Klaar? 


  • Ga naar Biologiepagina.nl om te oefenen.
  • Ga naar Examenkracht.nl om te oefenen.

Verdieping: bekijk beschikbare videos zoals Biologie met Joost
Aan de slag! 

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bloedtransfusie: ABO

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bloedtransfusie: ABO

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies