Grammatica - bijwoordelijke bepaling

WELKOM

bij Nederlands

1 / 25
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo t, havoLeerjaar 2

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

WELKOM

bij Nederlands

Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan we vandaag doen?
  • Herhaling mv
  • Uitleg bwb
  • Oefenen 

Slide 2 - Tekstslide

Herhaling

pv: vraagzin, tijd, getal veranderen

wg: alle werkwoorden in de zin

ow: wie (wat) + gezegde?

lv: wat (wie) + gezegde + onderwerp?

mv: aan/voor wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?

bijwoordelijke bepaling: rest van de zin

Slide 3 - Tekstslide

Meewerkend voorwerp

  • Aan / voor wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?
  • Check daarna of je aan of voor kunt weglaten of toevoegen. 


Slide 4 - Tekstslide

Voorbeeld

  • Ik wil aan mijn oma een knuffel geven in de tuin.
  • Ik / wil / aan mijn oma / een knuffel / geven
  • wg = wil geven
  • ow = ik (Wie wil?)
  • lv = een knuffel (Wat wil ik geven?)
  • mv --> Aan wie wil ik een knuffel geven? aan mijn oma
  • Controle: kan ik aan weglaten? 
  • JA: Ik wil mijn oma een grote bos bloemen geven. --> meew. voorwerp
  • REST: bijwoordelijke bepaling: in de tuin 

Slide 5 - Tekstslide

Bijwoordelijke bepaling
De bwb zegt iets over:
 'waar', 'wanneer' en 'hoe'

Waar = bijwoordelijke bepaling van plaats
Wanneer = bijwoordelijke bepaling van tijd
Hoe = bijwoordelijke bepaling van reden

Slide 6 - Tekstslide

Bijwoordelijke bepaling
We noemen de bijwoordelijke bepaling ook wel de prullenbak’. Alles wat je overhoudt, noem je een bijwoordelijke bepaling.

Slide 7 - Tekstslide

Wat is persoonsvorm (pv) in deze zin?

Ik geef mijn opa een boek voor zijn verjaardag.
A
Ik
B
geef
C
mijn opa
D
een boek

Slide 8 - Quizvraag

Wat is het onderwerp (ow) in deze zin?

Ik geef mijn opa een boek voor zijn verjaardag.
A
Ik
B
geef
C
mijn opa
D
een boek

Slide 9 - Quizvraag

Wat is het werkwoordelijk gezegde (wg) in deze zin?

Ik geef mijn opa een boek voor zijn verjaardag.
A
Ik
B
geef
C
mijn opa
D
geef voor zijn verjaardag

Slide 10 - Quizvraag

Wat is het lijdend voorwerp (lv)in deze zin?

Ik geef mijn opa een boek voor zijn verjaardag.
A
Ik
B
mijn opa
C
een boek
D
voor zijn verjaardag

Slide 11 - Quizvraag

Wat is het meewerkend voorwerp (mv) in deze zin?

Ik geef mijn opa een boek voor zijn verjaardag.
A
Ik
B
mijn opa
C
een boek
D
voor zijn verjaardag

Slide 12 - Quizvraag

Wat is de bijwoordelijke bepaling in deze zin?

Ik geef mijn opa een boek voor zijn verjaardag.
A
zijn verjaardag
B
mijn opa
C
een boek
D
voor zijn verjaardag

Slide 13 - Quizvraag

Vandaag
Leren: hoe je de bijwoordelijke bepaling (bwb) vindt. 

Maken: opdrachten paragraaf 11: bijwoordelijke bepaling.

Daarna: verder met je taken. 



Nog niet af? Zet de opdrachten in je daltonplanagenda bij vrijdag. 
timer
10:00

Slide 14 - Tekstslide

OEFENTOETS
maken in stilte.





Klaar? Kijk je oefentoets na en tel je punten
Daar ook mee klaar? Maak de opdrachten over bwb af.




Slide 15 - Tekstslide



Het meewerkend voorwerp ...
A
ondergaat iets
B
is de ontvanger (aan wie/voor wie)

Slide 16 - Quizvraag

Een meewerkend voorwerp...
A
… begint altijd met een voorzetsel.
B
… begint nooit met een voorzetsel.
C
… kan met een voorzetsel beginnen, maar dat hoeft niet.
D
… geen idee wat dat is.

Slide 17 - Quizvraag

Is dat voor mij?

mv = ...?
A
is
B
dat
C
mij
D
voor mij

Slide 18 - Quizvraag

Wat is de bwb?
Ik speel altijd vals.
A
Ik
B
speel
C
altijd
D
vals

Slide 19 - Quizvraag

Wat is het meewerkend voorwerp?

Joris heeft mij de betekenis van het meewerkend voorwerp uitgelegd
A
Joris
B
de betekenis
C
het meewerkend voorwerp
D
mij

Slide 20 - Quizvraag

Het meewerkend voorwerp...
A
aan wie of voor wie
B
wie + gezegde + onderwerp
C
wat + gezegde + onderwerp
D
is altijd een voorwerp

Slide 21 - Quizvraag

Wat is het mv?
Zij heeft het ons toch verteld
A
ons
B
zij
C
aan ons

Slide 22 - Quizvraag

Wat is de bwb?

Op mijn stage heb ik veel geleerd.
A
veel
B
op mijn stage
C
heb geleerd
D
ik

Slide 23 - Quizvraag

Welke bwb/bwb's zitten in de deze zin?

Gisteren ben ik met de trein naar huis gegaan.
A
gisteren, naar huis
B
naar huis gegaan
C
met de trein, naar huis
D
gisteren, met de trein, naar huis

Slide 24 - Quizvraag

BWB = ... ?
's Morgens eet ik graag een broodje chocopasta.
A
's Morgens
B
eet
C
graag
D
een broodje chocopasta

Slide 25 - Quizvraag