Lees de volgende zinnen en bepaal welke vorm van beeldspraak erin voorkomt. Schrijf erachter of het een vergelijking, synesthesie, personificatie of metonymie is.
De zon streelde mijn gezicht terwijl ik op het strand lag. → __________
Haar stem klonk als fluweel in mijn oren. → __________
Een golf van paniek overspoelde hem. → __________
De schreeuwende kleuren van het schilderij deden pijn aan mijn ogen. → __________
Hij bestelde nog een glas en proostte op de avond. → __________
Schrijf bij elke vorm van beeldspraak de juiste definitie. Kies uit: Vergelijking,
Synesthesie, Personificatie en Metonymie
Een stijlfiguur waarbij zintuigen met elkaar worden vermengd, zoals geluid dat wordt gekoppeld aan een kleur. → __________
Een stijlfiguur waarbij een object of begrip menselijke eigenschappen krijgt. → __________
Een stijlfiguur waarbij een object of persoon wordt aangeduid met een woord dat ermee te maken heeft, zoals 'een glas drinken'. → __________
Een stijlfiguur waarbij iets wordt vergeleken met iets anders, vaak met de woorden 'als' of 'zoals'.
A.
B.
timer
5:00
Slide 2 - Tekstslide
Tekst
startopdracht
Herken de beeldspraak
De zon streelde mijn gezicht terwijl ik op het strand lag. → Personificatie
Haar stem klonk als fluweel in mijn oren. → Vergelijking
Een golf van paniek overspoelde hem. → Metonymie (metafoor gebaseerd op associatie, paniek wordt als een golf voorgesteld)
De schreeuwende kleuren van het schilderij deden pijn aan mijn ogen. → Synesthesie
Hij bestelde nog een glas en proostte op de avond. → Metonymie (het glas staat symbool voor de drank)
Definities invullen
Een stijlfiguur waarbij zintuigen met elkaar worden vermengd, zoals geluid dat wordt gekoppeld aan een kleur. → Synesthesie
Een stijlfiguur waarbij een object of begrip menselijke eigenschappen krijgt. → Personificatie
Een stijlfiguur waarbij een object of persoon wordt aangeduid met een woord dat ermee te maken heeft, zoals 'een glas drinken'. → Metonymie
Een stijlfiguur waarbij iets wordt vergeleken met iets anders, vaak met de woorden 'als' of 'zoals'. → Vergelijking
A.
B.
timer
5:00
Slide 3 - Tekstslide
Dagopening
Slide 4 - Tekstslide
In deze les:
Startopdracht
Dagopening
Uitleg uitdrukkingen en collocaties
Opdracht maken en evalueren
Gezamenlijk afsluiten
Slide 5 - Tekstslide
Leerdoelen:
Ken je de betekenis van een aantal thematische uitdrukkingen;
Kun je verschillende collocaties herkennen en gebruiken.
Taalactiviteit
Noteer onbekende begrippen in je schrift en zoek de betekenis op.
Slide 6 - Tekstslide
Aan het eind van deze week:
- weet je wat metonymie en synesthesie zijn;
- ken je de betekenis van een aantal thematische uitdrukkingen;
- kun je verschillende collocaties herkennen en gebruiken.
Vrijdag: leesboek mee en uitleg bloemlezing maken
Slide 7 - Tekstslide
Schrijf het gevraagde deel van de zin in je schrift!
Slide 8 - Tekstslide
Welk deel van de zin is figuurlijk gebruikt?
De gemeente heeft de plannen om de ringweg te verbreden in de ijskast gezet.
timer
0:30
Slide 9 - Tekstslide
Welk deel van de zin is figuurlijk gebruikt?
De gemeente heeft de plannen om de ringweg te verbreden in de ijskast gezet.
= uitgesteld
Slide 10 - Tekstslide
Welk deel van de zin is figuurlijk gebruikt?
Zong Ingrid in Holland’s Got Talent werkelijk zo slecht dat ze voor paal stond?
timer
0:30
Slide 11 - Tekstslide
Welk deel van de zin is figuurlijk gebruikt?
Zong Ingrid in Holland’s Got Talent werkelijk zo slecht dat ze voor paal stond?
= zich belachelijk maakte
Slide 12 - Tekstslide
Welk deel van de zin is figuurlijk gebruikt?
Als student kocht ik kleren bij Zeeman, want ik had het niet zo breed.
timer
0:30
Slide 13 - Tekstslide
Welk deel van de zin is figuurlijk gebruikt?
Als student kocht ik kleren bij Zeeman, want ik had het niet zo breed.
= had weinig geld
Slide 14 - Tekstslide
Aantekeningen
Maak aantekeningen
in je schrift
Slide 15 - Tekstslide
Vaste combinaties
Sommige woorden komen heel vaak voor in combinatie met andere woorden.
Zulke vaste combinaties noemen we collocaties. Voorbeelden zijn:
Slide 16 - Tekstslide
een zelfstandig naamwoord met een vast werkwoord: een besluit nemen;
uitdrukkingen met een werkwoord:het onderspit delven; de plank misslaan;
uitdrukkingen zonder werkwoord: het volle pond; een gelopen race;
uitdrukkingen met een woordpaar:op stel en sprong; wis en waarachtig;
uitdrukkingen met een woordpaar en een vast werkwoord: paal en perk stellen (aan); van toeten noch blazen weten;kant noch wal raken.
Slide 17 - Tekstslide
Maken en bespreken
Taal paragraaf 6: Uitdrukkingen en collocaties
Bladzijde 102 en 103
Opdracht 1 + 2 + 3
timer
10:00
Slide 18 - Tekstslide
Weet je nu:
- Wat de verschillende stijlfiguren zijn en hoe je deze kunt herkennen?