Je leert: aanwijzende en vragende voornaamwoorden herkennen
Je hebt afgerond: §2 herhaling jaar 1 (online)
olw = onbepaald lidwoord: een
blw = bepaald lidwoord: de/het
znw = zelfstandig naamwoord: mensen, dieren, dingen, aardrijkskundige namen, eigen namen
bn = bijvoeglijk naamwoord, zegt iets over een zn
st.bn = stoffelijk bijvoeglijk naamwoord
pers. vnw = persoonlijk voornaamwoord : zij, hij, ze, het (regent)
bez.vnw = bezittelijk voornaamwoord : mijn, jouw, jullie, ons
bw = bijwoord: daar, hier/dan, toen, morgen, gisteren. Bw zegt iets over: bijv.nw, ww, een ander bijwoord of een hele zin.
vz = voorzetsel: in, op, tijdens, gedurende