'Die' en 'dat' horen bij meerdere woordsoorten. Ze zijn alleen aanwijzende voornaamwoorden als je ze kunt vervangen door 'deze' of 'dit'.
Slide 9 - Tekstslide
§4 Vragend voornaamwoord
- Vragende voornaamwoorden vragen naar
iets of iemand.
- Vragende voornaamwoorden staan aan het begin van een
vraag of aan het begin van een zin die gemaakt is van een
vraag.
Slide 10 - Tekstslide
§4 Vragend voornaamwoord
Er zijn vier vragende voornaamwoorden. Leer ze uit je hoofd!
>> Wie, wat, welk(e), wat voor (een)
'Wie' en 'wat' zijn géén vragend voornaamwoord als ze terugwijzen naar een eerder genoemd woord.
>> Sofie vertelde me alles wat ze had meegemaakt.
Slide 11 - Tekstslide
Vragend voornaamwoord (vr. vnw)
Let op!
Wie en wat zijn géén vragend voornaamwoord als ze terugwijzen naar een eerder genoemd woord.
>> Heb je alles wat je nodig hebt ingepakt?
('Wat' verwijst naar 'alles'.)
>> De jongen naar wie je vroeg, loopt daar.
('Wie' verwijst naar 'jongen'.)
Slide 12 - Tekstslide
Vragend voornaamwoord (vr. vnw)
Dus leer uit je hoofd:
>> Wie, wat, welk(e), wat voor (een)
Alle andere vraagwoorden zijn bijwoorden.
Slide 13 - Tekstslide
Cursus 7-§ 13-Werkwoordsvormen en wwtijden
Bekijk de volgende zinnen:
In het weekend vist Daley op de Linge.
Sommige opgaven in de toets zijn moeilijk.
In zin 1 is vist een zelfstandig werkwoord (zww).
Een zelfstandig werkwoord zegt wat iets of iemand doet (vissen, wandelen) of overkomt (krijgen, schrikken). Het heeft een duidelijke betekenis en komt voor in een werkwoordelijk gezegde.
Slide 14 - Tekstslide
Cursus 7-§ 13-Werkwoordsvormen en wwtijden
Sommige opgaven in de toets zijn moeilijk.
In zin 2 dóén of overkomen sommige opgaven niet iets, maar ze zíjn iets: moeilijk. In deze zin koppelt het koppelwerkwoord (kww) zijn een eigenschap (moeilijk) aan het onderwerp. Het koppelwerkwoord komt voor in zinnen met een naamwoordelijk gezegde.
Slide 15 - Tekstslide
Cursus 7-§ 13-Werkwoordsvormen en wwtijden
Zo herken je het zelfstandig werkwoord en het koppelwerkwoord
Als er maar één werkwoord (= de persoonsvorm) in een zin staat, kan dat ene werkwoord een zelfstandig werkwoord of een koppelwerkwoord zijn.
Slide 16 - Tekstslide
Cursus 7-§ 13-Werkwoordsvormen en wwtijden
Is het werkwoord een vorm van zijn, worden, blijven, blijken, lijken of schijnen en zegt het wat iemand of iets is, wordt, blijkt enzovoort? Dan is het een koppelwerkwoord:
– Henk is (kww) een aardige man. Olivia wordt (kww) boos. Die agenten bleven (kww) geduldig. Deze films bleken (kww) erg saai.
Let op:
– als zijn of blijven zeggen waar iemand of iets is, zijn ze zelfstandig werkwoord:
Slide 17 - Tekstslide
Cursus 7-§ 13-Werkwoordsvormen en wwtijden
• De kinderen zijn (zww) in het zwembad. Kees blijft (zww) op zijn kamer.
– als schijnen ‘licht geven’ betekent, is het zelfstandig werkwoord:
• De zon schijnt (zww) op mijn balkon. Die lampen schijnen (zww) fel.
Slide 18 - Tekstslide
Cursus 7-§ 13-Werkwoordsvormen en wwtijden
Is het werkwoord een ander werkwoord dan zijn, worden, blijven enzovoort?
Dan is het een zelfstandig werkwoord:
– Veel mensen genieten (zww) van een vrije zaterdag. Ella bakte (zww) heerlijke taart.
Slide 19 - Tekstslide
Cursus 7-§ 13-Werkwoordsvormen en wwtijden
Bekijk de volgende zinnen:
1-In het weekend heeft Daley op de Linge gevist.
2-Sommige opgaven in de toets kunnen moeilijk zijn.
De persoonsvormen heeft in zin 1 en kunnen in zin 2 zijn beide een hulpwerkwoord (hww).
Slide 20 - Tekstslide
Cursus 7-§ 13-Werkwoordsvormen en wwtijden
Hulpwerkwoorden komen voor in elke zin met meer dan één werkwoord. Ze ‘helpen’ het gezegde te maken.
Ook zijn, worden, blijven, blijken, lijken en schijnen kunnen een hulpwerkwoord zijn.
In zinnen met meer dan één werkwoord staat het zelfstandig werkwoord of het koppelwerkwoord meestal ergens achter in de zin:
Slide 21 - Tekstslide
Cursus 7-§ 13-Werkwoordsvormen en wwtijden
Je zou (hww) me best even kunnen (hww) helpen (zww).
Die vlogger leek (hww) zijn populariteit te verliezen (zww).
Ruud is (hww) vroeger een geweldige voetballer geweest(kww).
Slide 22 - Tekstslide
Betrekkelijk
voornaamwoord
De e-mails die ik voor Nederlands moest schrijven.
Waar verwijst 'die' naar?
Het schrift dat ik van de docent heb gekregen.
Waar verwijst 'dat' naar?
Dominique had de hele dag buiten gespeeld, wat ze echt heerlijk vond.
Waar verwijst 'wat' naar?
Slide 23 - Tekstslide
Betrekkelijk
voornaamwoord
Het betrekkelijk voornaamwoord (betr. vnw) verwijst terug naar een woord of woordgroepje dat er vlak voor staat, het antecedent.
De bekendste betrekkelijke voornaamwoorden zijn die, dat, wieenwat.
Slide 24 - Tekstslide
Betrekkelijk voornaamwoord
Zo'n woord of woordgroep waarnaar het betrekkelijk voornaamwoord verwijst, noemen we het antecedent.
Het boekdat jij leest, zegt mij niets.
Het boek= het antecedent, dat = het betrekkelijk voornaamwoord
De autodie daar staat, is van hem.
De auto = het antecedent, die = het betrekkelijk voornaamwoord
Slide 25 - Tekstslide
Betrekkelijk voornaamwoord
1. Die verwijst naar de-woorden.
2. Dat verwijst naar het-woorden.
3. Wat verwijst naar:
een overtreffende trap na ‘het’:
- Het noorderlicht is het mooiste wat ik ooit heb gezien.
'vage' woorden als alles, datgene, diegene, het enige, iets, niets, veel, weinig:
- Alles wat op de site staat, is uit voorraad leverbaar.
een hele zin of een deel van een zin:
- Max is een ijverige leerling, wat niet gezegd kan worden van Wesley.
Slide 26 - Tekstslide
Betrekkelijk voornaamwoord
4. Voorzetsel + wieverwijst naar een persoon (van wie, door wie, voor wie etc.)
- Tessa, van wie ik dit huisje huur, maakt een rondreis door Chili.
Let op: dus niet met waar + voorzetsel: waarover, waarvoor enz.
Wij gebruiken cookies om jouw gebruikerservaring te verbeteren en persoonlijke content aan te bieden. Door gebruik te maken van LessonUp ga je akkoord met ons cookiebeleid.