Unit 3: Week 1

1 / 28
next
Slide 1: Slide
NT2Middelbare schoolhavoLeerjaar 1

This lesson contains 28 slides, with text slides.

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Les 1

Lesdoelen

Je weet wat we in unit 3 doen
Je leert nieuwe woorden 

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Unit 3
Nieuwe woordenlijst
SOI: When communicating about buying goods we have to pay attention to form to convey a message.
Twee toetsen: 
1. Luistertoets
2. Spreektoets

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Opdracht 1:
Je krijgt 10 minuten.
Je leert de woorden van week 1.
Na 10 minuten: welk groepje kent samen de meeste woorden?

Slide 4 - Slide

Neem eerst de woorden van week 1 door samen met de leerlingen.
Na 10 min, wanneer lln de woordjes in stilte hebben geleerd, noem je wat Engelse woorden. Bedoeling: kinderen schrijven in groepjes (ze werken samen per groepje, schrijven op één blaadje) de Nederlandse vertaling op. Kan ook op een whiteboardje natuurlijk. Daarna: samen woorden nakijken.
Welk groepje wint?
Opdracht 2: Werkblad
Vertaal (translate) deze zinnen naar het Nederlands.
Gebruik (use) je woordenlijst.

Slide 5 - Slide

Het bestand met de zinnen staat in de drive bij week 1.
Antwoorden
  1. Ik ben in het winkelcentrum en ik ga naar de winkel.
  2. Ik vraag iets aan de kassiere.
  3. Hij koopt het product. 
  4. Kan ik korting krijgen alstublieft? aub
  5. De vrouw wil contant betalen.
  6. Kan ik pinnen alstublieft?
  7. Hoeveel kost dit product?
  8. Wilt u de bon?
  9. Het geld is in mijn portemonnee. De portemonnee is in mijn tas.
  10. Zij/Ze loopt met haar winkelmandje naar de kassa.

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Vragen
1. Waar is het product?
2. Hoeveel kost het product?
3. Wat krijgt de klant niet?
4. Hoeveel kost een tasje?
5. Hoe betaalt de klant?
6. Wil de klant de bon?



Slide 7 - Slide

This item has no instructions

Opdracht 3:
We luisteren naar dit audiofragment. Daarna beantwoord je een aantal vragen.

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Vragen
1. Waar is het product? In het winkelmandje
2. Hoeveel kost het product? €16,50
3. Wat krijgt de klant niet? Korting
4. Hoeveel kost een tasje? 25 cent
5. Hoe betaalt de klant? pinnen
5. Wil de klant de bon? nee



Slide 9 - Slide

This item has no instructions

Extra tijd?

Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Les 2

Lesdoel

Je kunt werkwoorden in de tegenwoordige tijd schrijven.
Je kent de woorden van week 1.

Slide 11 - Slide

This item has no instructions

Opdracht 1: 
Kijk naar de afbeeldingen op de volgende slide.
Raad (guess) de woorden.

Slide 12 - Slide

Laat de slide met afbeeldingen zien. Lln overleggen over de woorden (zonder woordenlijst!).

Slide 13 - Slide

This item has no instructions

Het winkelwagentje
De portemonnee
Het gangpad
De kassa
de kassiere
De bon
Betalen

Slide 14 - Slide

This item has no instructions

Werkwoorden in de tegenwoordige tijd

Welke regels ken je nog?

Slide 15 - Slide

This item has no instructions


Werkwoorden in de tegenwoordige tijd





Stam = infinitief - en
ik
stam
jij
stam + t
hij / zij / u
stam + t
wij / jullie / zij
infinitief

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Werkwoorden in de tegenwoordige tijd

WERKEN (to work)
ik werk (-en)
jij werkt
hij/zij/u werkt
wij/jullie/zij werken

Slide 17 - Slide

besteed aandacht aan de lettergreep
werk = gesloten lettergreep 
4 rules of the stam:
A stam can never end on:
  • V (becomes an f) verven (to paint) --> ik verf
  • Z (becomes an s) kiezen (to choose) --> ik kies
  • Two of the same consonants spellen (to spell) --> ik spel

  • Sometimes you must add an extra vowel to keep the sound of the original verb

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

BELLEN (to call)

ik bel (-len)
jij belt
hij/zij/u belt
wij/jullie/zij bellen 
LOPEN (to walk)
ik loop
jij loopt
hij/zij/u loopt
wij/jullie/zij lopen

Slide 19 - Slide

besteed aandacht aan de lettergreep
lo - pen
lo = open lettergreep (eindigt op lange klinker)
bij de vervoeging komt er daardoor een extra klinker bij
Opdracht 2:
Vul de juiste werkwoorden in.
1. De leraar (werken) op school.
2. De jongen (vertellen) zijn moeder over zijn schooldag.
3. Ik (beloven = to promise) dat.
4. Ik (zitten) op de stoel, maar jullie (zitten) op tafel.
5. Het meisje (lezen) graag een boek.

Slide 20 - Slide

This item has no instructions

Opdracht 3
Vervoeg de werkwoorden uit de woordenlijst: winkelen, betalen, kopen, contant betalen, pinnen, kosten, bestellen, terugbrengen, vragen, willen
Noteer elke vorm van het werkwoord.


Slide 21 - Slide

Let op: contant betalen & terugbrengen: leg lln uit hoe ze deze ww'en moeten vervoegen. Of je slaat ze over, dat kan ook.
voorbeeld
Lopen
ik loop
jij loopt
hij/zij/u loopt
wij/jullie/zij lopen

Slide 22 - Slide

This item has no instructions

Opdracht 4:
Kies een element uit elke rij. Maak er een zin van en noteer in je schrift.
Let op: de woorden in rij 3 vertaal je eerst naar het Nederlands.



Ik
het
jij
jullie
wij
zij
kopen
willen
bestellen
winkelen
kosten
betalen
the product
the bag
an offer
the wallet
€5,-
in the store

Slide 23 - Slide

This item has no instructions

Les 3

Lesdoel

Je kunt een gesprekje voeren in een winkel.

Slide 24 - Slide

This item has no instructions

Opdracht 1
Wat heb je op kamp gegeten?

Maak een lijstje:
- Ontbijt
- Lunch
- Diner
- Tussendoortjes

Slide 25 - Slide

This item has no instructions

Opdracht 2a:
Wat zie je op de foto?
Bespreek  (discuss) in je groepje wat je op de foto ziet.

Slide 26 - Slide

This item has no instructions

Opdracht 2b
Wat zie je op de foto?
Bespreek (discuss) in je groepje wat je op de foto ziet.

Slide 27 - Slide

This item has no instructions

Opdracht 3:
In tweetallen, 15 minuten, wel een woordenlijst
Bereid een gesprek voor (prepare). Het gesprek duurt één-twee minuten.
Probeer (try) zoveel mogelijk woorden van week 1 te gebruiken.
Daarna: wat gesprekjes voor de klas.


Slide 28 - Slide

This item has no instructions