quiz vragen over klinisch redeneren

quiz vragen over klinisch redeneren
1 / 37
next
Slide 1: Slide
VerzorgingMBOStudiejaar 2

This lesson contains 37 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

quiz vragen over klinisch redeneren

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Welke uitspraak omschrijft klinisch redeneren het beste?
A
Met diverse disciplines een diagnose stellen door te overleggen.
B
Vaardigheid om eigen competenties te koppelen aan medische kennis.
C
Vaardigheid om eigen observaties te koppelen aan medische kennis.
D
In staat zijn om na te denken over complicaties bij een ziektebeeld.

Slide 2 - Quiz

This item has no instructions

Wat is klinisch redeneren?
A
Methode om informatie te ordenen
B
Methode om informatie te verzamelen voor verpleegplan.
C
Methode om gezondheidstoestand te observeren
D
Methode om zorg- situatie te analyseren en acties in te zetten

Slide 3 - Quiz

This item has no instructions

Wat is het doel van klinisch redeneren
A
onderbouwd tot een beslissing komen welke zorg voor een zorgvrager nodig is
B
de zorgvrager observeren en uitslagen doorgeven aan de arts
C
de vitale functies van de zorgvrager controleren voor de juiste zorg
D
bij niet-pluis gevoel de arts raadplegen, zodat zorgvrager de juist zorg krijgt

Slide 4 - Quiz

antwoord:
A
Uit hoeveel stappen bestaat het Klinisch redeneren?
A
4
B
7
C
8
D
6

Slide 5 - Quiz

This item has no instructions

De 3e stap van klinisch redeneren is?
A
Nabeschouwing
B
Oriëntatie op de situatie
C
Aanvullend onderzoek
D
Klinisch beleid

Slide 6 - Quiz

This item has no instructions

Bij welke stap van het klinisch redeneren zou je de EWS score kunnen gebruiken?
A
Stap 1. Oriënteren op de situatie
B
Stap 2. probleemstelling
C
Stap 3. aanvullend onderzoek
D
stap 4. klinisch beleid

Slide 7 - Quiz

This item has no instructions

Met welk instrument breng je een vitaal bedreigde zorgvrager in beeld?
A
ABCDE
B
SCEGS
C
DOS
D
VAS

Slide 8 - Quiz

DOS is voor delirium observatie screening- schaal

SCEGS was voor klachten op psychosociaal vlak

VAS visueel analoge schaal, bijvoorbeeld voor pijn, misselijkheid, jeuk

Welke afkorting van onderstaande is een manier van communiceren?
A
AUB
B
EWS
C
EPD
D
SBAR(R)

Slide 9 - Quiz

This item has no instructions

Waar staan de letters van SBAR voor
A
situatie, behandeling, anatomie, respons
B
situatie, achtergrond, beoordeling, aanbeveling
C
situatie, bedreiging, analyse, respons
D
situatie, bedreiging, anatomie, reactie

Slide 10 - Quiz

situation, background ( achtergrond) assesment ( beoordeling ), recommendation ( aanbeveling, advies )
antwoord B
De verpleegkundige vraagt de arts of ze alvast een katheter kan inbrengen. Bij welke fase hoort dit?
A
Situation
B
Background
C
Assesment
D
Recommendation

Slide 11 - Quiz

This item has no instructions

Client van Veen:

- Pols van 120
- Tensie 140/65
- Temp 38,2
- Ademhaling 15
- reageert op aanspreken

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Wat is de EWS van Van Veen?
A
2
B
4
C
5
D
3

Slide 13 - Quiz

2 punt voor de polsslag
systolische bloeddruk is goed
temp 38.2 1 punt
AH 15 1 punt
reageert op aanspreken, 1 punt, 
in totaal dus 5

systole is de bovendruk
waar staat de L voor in het VALTIS model
A
legalisatie
B
lokalisatie
C
laminatie
D
liquidatie

Slide 14 - Quiz

This item has no instructions

als je een gastroscopie onderzoek doet welk orgaan bekijk je dan?
A
dunne darm
B
maag
C
lever
D
dikke darm

Slide 15 - Quiz

This item has no instructions

Voor welke zorgvragers is een DOS score geschikt
A
oudere zorgvragers met parkinson
B
oudere zorgvragers met diabetes
C
oudere zorgvragers met beginnende dementie
D
oudere zorgvragers met een verhoogd valrisico

Slide 16 - Quiz

This item has no instructions

wat is auscultatie?
A
iets bekloppen met je vingers
B
iets betasten met je handen
C
iets beluisteren met een stethoscoop
D
iets inspecteren met je ogen

Slide 17 - Quiz

This item has no instructions

Waarvoor wordt de VAS score gebruikt
A
om pijn te meten
B
om jeuk te meten
C
om misselijkheid te meten
D
alle antwoorden zijn goed

Slide 18 - Quiz

This item has no instructions

welke polsslag is normaal
A
50 sl/ minuut
B
120 sl/minuut
C
40 sl/ minuut
D
80 sl/ minuut

Slide 19 - Quiz

This item has no instructions

wat is een afwijkende temperatuur
A
36.6
B
37.1
C
39.3
D
37.5

Slide 20 - Quiz

This item has no instructions

bij hoeveel punten bij de EWS moet je de arts al inlichten
A
2
B
3
C
4
D
5

Slide 21 - Quiz

This item has no instructions

in welk orgaan wordt een hysteroscopie gedaan
A
blaas
B
longen
C
hart
D
baarmoeder

Slide 22 - Quiz

This item has no instructions

waarvoor staat de afkorting ECG
A
encefalo confusio gram
B
electro cardio gram
C
electrische conturio graaf
D
electric critical gram

Slide 23 - Quiz

This item has no instructions

voor welk orgaan wordt een ECG gebruikt
A
lever
B
hersenen
C
hart
D
maag

Slide 24 - Quiz

This item has no instructions

wat wordt er bekeken bij een bronchoscopie
A
nieren
B
blaas
C
longen
D
lever

Slide 25 - Quiz

This item has no instructions

wat is percussie bij lichamelijk onderzoek?
A
iets bekloppen met je vingers
B
iets betasten met je handen
C
iets beluisteren met een stethoscoop
D
iets inspecteren met je ogen

Slide 26 - Quiz

This item has no instructions

waarvoor staat de FAST
A
face, arm, speech, time
B
face, arm, second, time
C
face, arterie, sepsis, trachea
D
face, arterie, second, tumor

Slide 27 - Quiz

This item has no instructions

welk onderzoek wordt verricht voor een darmonderzoek
A
thoraxfoto
B
ERCP
C
colonscopie
D
MRI scan

Slide 28 - Quiz

thorax is voor longen
ERCP voor galwegen of lever
MRI kan voor het hele lijf
waarvoor staat de letter C in de ABCDE methode
A
cerebri
B
criteria
C
circulatie
D
contusio

Slide 29 - Quiz

This item has no instructions

welke uitslag zegt wat over je ontstekingswaarde in het bloed
A
CRP
B
LDH
C
HB
D
HT

Slide 30 - Quiz

This item has no instructions

als iemand een bloeding heeft en wordt gevuld zoutoplossing via het infuus, wat zal er dan met het HT gebeuren?
A
zal stijgen
B
zal dalen
C
zal gelijk blijven

Slide 31 - Quiz

zal dalen omdat het ht iets zegt over de dikte van het bloed, dus de hoeveelheid rode bloedcellen in het bloed
bij de AVPU meet je het bewustzijn van de zv
A
waar
B
nietwaar

Slide 32 - Quiz

This item has no instructions

om welke reden kun je urine willen testen
A
om blaasontsteking vast te stellen
B
om zwangerschap vast te stellen
C
om uitdroging vast te stellen
D
alle antwoorden zijn goed

Slide 33 - Quiz

This item has no instructions

welke ademhalingssnelheid is normaal
A
8/ per minuut
B
11/ per minuut
C
15/ per minuut
D
17/ per minuut

Slide 34 - Quiz

This item has no instructions

welk redeneerhulpmiddel kun je gebruiken om naar de psychosociale situatie van een zv te kijken?
A
ABCDE
B
EWS
C
SCEGS
D
AVPU

Slide 35 - Quiz

This item has no instructions

een curatief beleid staat voor
A
afwachten
B
genezing
C
verhogen lichamelijk, mentaal en sociaal welbevinden
D
behandelverbod

Slide 36 - Quiz

This item has no instructions

een zorgvrager met koorts, benauwdheid en hoesten, verdenk je als eerste van een
A
longontsteking
B
urineweginfectie
C
galblaasontsteking

Slide 37 - Quiz

This item has no instructions