grammatica

Wat gaan we leren?
-woordvolgorde
-vraagzinnen
-zinnen in de verleden tijd
1 / 41
next
Slide 1: Slide
NederlandsISK

This lesson contains 41 slides, with interactive quizzes, text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Wat gaan we leren?
-woordvolgorde
-vraagzinnen
-zinnen in de verleden tijd

Slide 1 - Slide

Wie? Wat? Waar? Wanneer?
Peter leest een boek op school elke ochtend.
Wie? Peter
Wat doet hij? Leest een boek
Waar?  Op school
 Wanneer? elke ochtend

Slide 2 - Slide

Slide 3 - Video

Slide 4 - Video

Vervoeg deze werkwoorden
spelen                   reserveren
wijzigen                uitnodigen
durven                   gebruiken
vermoorden                kiezen (onr. ww)

Slide 5 - Slide

Onregelmatig

Slide 6 - Slide

regelmatig

Slide 7 - Slide

Maak een goede hoofdzin.
een nieuwe school ik kies

Slide 8 - Open question

Maak een vraagzin.
Ik kies een nieuwe school.

Slide 9 - Open question

Zet deze zin in de verleden tijd(vt)
Ik kies een nieuwe school.

Slide 10 - Open question

Zet de zin in de voltooide tijd(vd).
Ik kies een nieuwe school.

Slide 11 - Open question

Zet de zin in de verleden tijd.
Ik ga met die leuke jongen om.

Slide 12 - Open question

Maak de zin vragend.
Ik ga met die leuke jongen om.

Slide 13 - Open question

Zet de zin in de voltooide tijd(vd).
Ik kies een nieuwe school.

Slide 14 - Open question

Zet de zin in de voltooide tijd(vd).
Ik kies een nieuwe school.

Slide 15 - Open question

Correcte zin
Ik ga om met die leuke jongen

-Maak de zin vragend.
-Zet de zin de verleden tijd

Slide 16 - Slide

Goede zinnen
Ik ga om met die leuke jongen
Ga ik om met die leuke jongen?
Ik ging om met die leuke jongen.

Slide 17 - Slide

Zet in de goede volgorde
een mooie zin jij bedenkt

Slide 18 - Slide

Correcte zin
Jij bedenkt een mooie zin.

-Maak een vraagzin????
-Zet de zin in de verleden tijd.

Slide 19 - Slide

Correcte zinnen
Jij bedenkt een mooie zin.
Bedenk jij een mooie zin?
Jij bedacht een mooie zin.

Slide 20 - Slide

Zet in de goede volgorde
een plan voor de reis hij bedenkt

Slide 21 - Slide

Goede zin
Hij bedenkt een plan voor de reis.

Maak de zin vragend.
Zet de zin in de verleden tijd.

Slide 22 - Slide

Correcte zinnen
Hij bedenkt een plan voor de reis.
Bedenkt hij een plan voor de reis?
Hij bedacht een plan voor de reis.

Slide 23 - Slide

Maak de opdrachten op papier

- verleden tijd (klare taal)
-voltooid deelwoord (klare taal)
-eenvoudige grammatica

Slide 24 - Slide

Wat gaan we doen?
-toets werkwoorden
-Disk grammatica;werkwoorden,zinnen
-Disk spelling of Lezen

Slide 25 - Slide

Maak de opdrachten op papier
- verleden tijd (klare taal)
-voltooid deelwoord (klare taal)

Slide 26 - Slide

Aan de slag (help elkaar)
Maak les 10,11,12 oefening 27 t/m 36
Maak les 23,24 oefening 72,73,74,75
Maak les 25,26,27,28
Maak les 29 t/m 36

Slide 27 - Slide

Eenvoudige grammatica
Les 25 (te...) Uitleg!
Les 26 (scheidbare woorden) Uitleg!
Les 27 (voltooid deelwoord)
Les 28 (voltooid deelwoord d of t)
les 29,30,31,32,33,34,35,36

Slide 28 - Slide

Slide 29 - Link

Slide 30 - Link

Slide 31 - Link

Slide 32 - Link

Slide 33 - Link

Slide 34 - Link

Slide 35 - Link

Slide 36 - Slide

Slide 37 - Link

Slide 38 - Link

Slide 39 - Link

Huiswerk
-Disk; grammatica online werkwoorden
grammatica; werkwoorden 2.1 t/m 2.20/25

Slide 40 - Slide

Slide 41 - Link