Het persoonlijk voornaamwoord LV en MV

Persoonlijke voornaamwoorden
1. als onderwerp: je, tu, il etc..

2. als vervanging van lijdend voorwerp: le, la, l', les

3. als vervanging van meewerkend voorwerp: lui of leur
1 / 16
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

This lesson contains 16 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Persoonlijke voornaamwoorden
1. als onderwerp: je, tu, il etc..

2. als vervanging van lijdend voorwerp: le, la, l', les

3. als vervanging van meewerkend voorwerp: lui of leur

Slide 1 - Slide

Persoonlijke voornaamwoorden
Stappen:

1. herkennen
2. vervangen
3. plaatsen

Slide 2 - Slide

Herkennen
Meewerkend voorwerp begint met een à woord (à, à la, à l',aux)

Je téléphone à mon père.
Il a parlé aux profs.

Anders is het lijdend voorwerp...
Meestal vind je LV/MV na een werkwoord!

Slide 3 - Slide

Vervangen
Meewerkend voorwerp begint met een à woord (à, à la, à l',aux)

Je téléphone à mon père.
Il a parlé aux profs.

à mon père - enkelvoud - vervangen door lui
aux profs - meervoud - vervangen door leur

Slide 4 - Slide

Het persooonlijk voornaamwoord als vervanging van een lijdend voorwerp

Slide 5 - Slide

Noem de persoonlijke voornaamwoorden als vervanging van een lijdend voorwerp.

Slide 6 - Mind map

Noem de persoonlijke voornaamwoorden als vervanging van een meewerkend voorwerp.

Slide 7 - Mind map

Heeft deze zin een lijdend voorwerp of een meewerkend voorwerp?
Tu parles aux profs?
A
MV
B
LV

Slide 8 - Quiz

Heeft deze zin een lijdend voorwerp of een meewerkend voorwerp?
Vous regardez la télé?
A
MV
B
LV

Slide 9 - Quiz

Heeft deze zin een lijdend voorwerp of een meewerkend voorwerp?
Je vais télephoner à mon ami?
A
MV
B
LV

Slide 10 - Quiz

Heeft deze zin een lijdend voorwerp of een meewerkend voorwerp?
Il a envoyé une lettre à sa mère?
A
MV
B
LV

Slide 11 - Quiz

Vervang het meewerkend voorwerp voorwerp met een persoonlijk voornaamwoord

Vous répondez à la dame ?
A
lui
B
leur

Slide 12 - Quiz

Vervang het meewerkend voorwerp voorwerp met een persoonlijk voornaamwoord

Tu envoyes des fleurs à tes parents ?
A
lui
B
leur

Slide 13 - Quiz

Wat is de plaats van het persoonlijk voornaamwoord in de zin bij meewerkend voorwerp?
A
achter het werkwoord
B
voor het persoonsvorm
C
voor het infinitief
D
achter in de zin

Slide 14 - Quiz

Vervang het meewerkend voorwerp door een persoonlijk voornaamwoord en zet het op de juiste plek in de zin.

Vous avez parlé au prof?
A
Vous lui avez parlé?
B
Vous avez lui parlé?
C
Vous avez parlé lui?
D
Vous l´avez parlé?

Slide 15 - Quiz

Vervang het meewerkend voorwerp door een persoonlijk voornaamwoord en zet het op de juiste plek in de zin. Schrijf de nieuwe zin helemaal op.

Je vais téléphoner à ma mamie.
A
Je vais leur téléphoner.
B
Je vais lui téléphoner.
C
Je leur vais téléphoner.
D
Je lui vais téléphoner.

Slide 16 - Quiz