Oefentoets Hoofdstuk 8

WELKOM BIJ DE OEFENTOETS (HAVO NIVEAU)
Maak alle vragen


1 / 51
next
Slide 1: Slide
BiologieMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

This lesson contains 51 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

WELKOM BIJ DE OEFENTOETS (HAVO NIVEAU)
Maak alle vragen


Slide 1 - Slide


Welke functie hoort bij welk orgaanstelsel?
a. Welk orgaanstelsel vervoert stoffen zoals voedingsstoffen, zuurstof en koolstofdioxide?
b. Welk orgaanstelsel laat je organen (samen)werken?  
R, 1p
A
a. ademhalingsstelsel b. bloedvatenstelsel
B
a. ademhalingsstelsel b. zenuwstelsel
C
a. bloedvatenstelsel b. zenuwstelsel
D
a. uitscheidingsstelsel b. zenuwstelsel

Slide 2 - Quiz


Nicole gaat met de fiets naar school. Ze heeft een stevige wind mee en het kost haar weinig moeite om te fietsen. Waardoor kan Nicole rustig ademhalen terwijl zij naar school fietst? 
T2, 1p
A
Door de snellere verbranding krijgt ze een grotere hoeveelheid koolstofdioxide in haar bloed.
B
Door de snellere verbranding krijgt ze een kleinere hoeveelheid koolstofdioxide in haar bloed.
C
Door de tragere verbranding krijgt ze een grotere hoeveelheid koolstofdioxide in haar bloed.
D
Door de tragere verbranding krijgt ze een kleinere hoeveelheid koolstofdioxide in haar bloed.

Slide 3 - Quiz


Aisha ligt in het ziekenhuis en heeft een infuus in haar hand gekregen. De vloeistof van het infuus druppelt in het gelijkmatig stromend bloed. In welk soort bloedvat prikt de verpleegster de naald van het infuus? 
T1, 1p
A
ader
B
slagader
C
haarvat

Slide 4 - Quiz


Welke taken horen bij welk orgaanstelsel?
a. Geeft impulsen door aan de hersenen.
b. Geeft koolstofdioxide af aan de lucht.
R, 1p
A
a. ademhalingsstelsel b. verteringsstelsel
B
a. spierstelsel b. ademhalingsstelsel
C
a. zenuwstelsel b. spierstelsel
D
a. zenuwstelsel b. ademhalingsstelsel

Slide 5 - Quiz


Welke taken horen bij welk orgaanstelsel?
a. De huid zweet.
b. Vervoert zuurstof naar de spieren.
R, 1p
A
a. ademhalingsstelsel b. spierstelsel
B
a. uitscheidingsstelsel b. bloedvatenstelsel
C
a. zenuwstelsel b. bloedvatenstelsel
D
a. uitscheidingsstelsel b. ademhalingsstelsel

Slide 6 - Quiz


Juist of onjuist
a. Bij uitademen ontspannen de tussenribspieren en de middenrifspieren.
b. Bij inademen wordt het middenrif plat.
R, 1p
A
a = juist b = juist
B
a = juist b = onjuist
C
a = onjuist b = juist
D
a = onjuist b = onjuist

Slide 7 - Quiz


Juist of onjuist
a. Trilhaartjes in het slijmvlies van de luchtpijp houden grote stofdeeltjes tegen.
b. Slijmcellen zitten aan de binnenkant van je neusholte, luchtpijp en bronchiën.
R, 1p
A
a = juist b = juist
B
a = juist b = onjuist
C
a = onjuist b = juist
D
a = onjuist b = onjuist

Slide 8 - Quiz


Juist of onjuist (VWO)
a. Vanuit het ademcentrum in de hersenen gaan impulsen naar koolstofdioxidezintuigen.
b. Een hoger koolstofdioxidegehalte zorgt voor een hogere ademfrequentie.
R, 1p
A
a = juist b = juist
B
a = juist b = onjuist
C
a = onjuist b = juist
D
a = onjuist b = onjuist

Slide 9 - Quiz


Nicole is aan het voetballen. Tijdens het voetballen zweet zij meer en haalt zij snel adem. Maakt het lichaam van Nicole tijdens het voetballen minder, meer of evenveel water aan dan wanneer zij slaapt?
 T2, 1p
A
minder
B
meer
C
evenveel

Slide 10 - Quiz

Vul de juiste woorden in. T2, 1p
Tijdens het voetballen gebruik je meer                                    .

Daarom gaat de                                    omhoog.

Bij een hogere verbranding heb je meer                                 nodig.

Je ademt dan meer                                  uit.
zuurstof
koolstofdioxide
verbranding
energie

Slide 11 - Drag question

Maak de vergelijking voor de verbranding kloppend. R, 1p
glucose +
-> 
koolstofdioxide + water
+
zuurstof
energie

Slide 12 - Drag question


Sommige longziekten hebben een vermindering van het aantal longblaasjes tot gevolg.
Waardoor zijn mensen met zo’n longziekte sneller buiten adem?
Vul aan: 
Door een vermindering van het aantal longblaasjes....
 T2, 2p
A
...verkleint de inhoud van de longen.
B
...kan er minder zuurstof worden opgenomen door de longen.
C
...kan er minder lucht in de longen komen.
D
...werken de longen minder goed.

Slide 13 - Quiz


Bekijk de afbeelding van het hart. Wat zijn de juiste namen bij de nummers 1 t/m 4. 
 R, 1p
A
1=holle ader; 2=longslagader; 3=aorta; 4=longader
B
1=holle ader; 2=longslagader; 3=longader; 4=aorta
C
1=holle ader; 2=longader; 3=longslagader; 4=aorta
D
1=longader; 2=longslagader; 3=aorta; 4=holle ader

Slide 14 - Quiz

Vul de juiste woorden in. T2, 1p

a. Het bloed stroomt via de                                de                                  in.


b. Vanuit de                                    stroomt het bloed via de 

                                  naar de longen.
holle ader
rechterboezem
rechterkamer
longslagader

Slide 15 - Drag question

Vul de juiste woorden in. T2, 1p

a. Via de                                    komt het bloed in de                                  .


b. Vanuit de                                    stroomt het bloed via 

de                                    naar het lichaam.
longader
linkerboezem
linkerkamer
aorta

Slide 16 - Drag question


Jasmijn heeft de hele dag haar hartslagmeter om gehad. ’s Avonds bekijkt ze haar hartslaggrafiek. Wat is haar hartslag in rust? En wat is haar hartslag wanneer ze intensief sport? 
T1, 2p
A
in rust = 80 intensieve sport = 180
B
in rust = 60 intensieve sport = 180
C
in rust = 70 intensieve sport = 180
D
in rust = 80 intensieve sport = 160

Slide 17 - Quiz


Bij een baby zijn de aorta en de longslagader van plek gewisseld. Dit heeft tot gevolg dat de kleine en de grote bloedsomloop nu van elkaar gescheiden zijn. Waardoor kan deze baby niet blijven leven zonder operatie?  
I, 2p
normale bloedsomloop
A
het bloed komt niet langs de longen en kan daarom geen zuurstof opnemen
B
het bloed komt wel langs de longen maar kan niet via de aorta naar de rest van het lichaam
C
het hart kan het bloed niet via de aorta door het lichaam pompen
D
het bloed kan niet worden rondgepompt

Slide 18 - Quiz


Juist of onjuist
a. Als je in je vinger snijdt drupt het bloed eruit omdat er weinig druk op de bloedvaten staat.
b. Als je een slagader doorsnijdt dan spuit het bloed er in een gelijke stroom uit.
T1, 2p
A
a = juist b = juist
B
a = juist b = onjuist
C
a = onjuist b = juist
D
a = onjuist b = onjuist

Slide 19 - Quiz

Zet de juiste naam bij het juiste plaatje. R, 1p
ader
slagader
haarvat

Slide 20 - Drag question


a. Welk bloedvat vervoert het bloed van de longen naar het hart?
b. Welk bloedvat vervoert het bloed van het hart naar het lichaam?
T1, 2p
A
a = 1 b = 1
B
a = 1 b = 3
C
a = 3 b = 1
D
a = 3 b = 3

Slide 21 - Quiz

Zet het juiste woord in het juiste vakje. R, 1p
zuurstofrijk
kleine
zuurstofarm
grote

Slide 22 - Drag question


Terwijl je naar school fietst luister je ondertussen naar een muziekje en eet je een appel. Welke organen krijgen nu meer bloed?
T2, 2p
A
spieren, hersenen en maag
B
spieren, hersenen en alle spijsverteringsorganen
C
spieren en alle spijsverteringsorganen
D
alleen spieren

Slide 23 - Quiz

Via welk van de genummerde bloedvaten verlaat zuurstofrijk bloed het hart?
A
Via bloedvat 2
B
Via bloedvat 3
C
Via bloedvat 4
D
Via bloedvat 5

Slide 24 - Quiz

Er worden twee beweringen gedaan over het hart in de afbeelding.

1. De delen 6 en 7 van het hart ontvangen bloed uit aders.

2. Het bloed dat het hart verlaat via bloedvat 3, komt het hart weer binnen via bloedvat 4.
Welke bewering is of welke zijn juist?

A
De beweringen zijn allebei onjuist
B
De beweringen zijn allebei juist
C
Alleen bewering 1 is juist
D
Alleen bewering 2 is juist

Slide 25 - Quiz

De hartslag begint met het samentrekken van de boezems. Bij mensen met hartfalen reageren de boezems te traag of juist te vroeg. Wat is het directe gevolg van het te vroeg samentrekken van de spieren in de rechterboezem?
A
Er stroomt minder bloed in de linkerboezem
B
Er stroomt minder bloed in de rechterkamer
C
Het bloed stroomt met hogere snelheid naar de linkerboezem
D
Het bloed stroomt met hogere snelheid naar de rechterkamer

Slide 26 - Quiz

De functie van de kleine bloedsomloop is …
A
zuurstof opnemen in het bloed en kooldioxide afgeven
B
kooldioxide opnemen in het bloed en zuurstof afgeven
C
zuurstof en kooldioxide opnemen in het bloed

Slide 27 - Quiz

Welk deel van het hart pompt bloed in de kleine bloedsomloop?
A
De rechterkamer
B
De linkerkamer
C
De rechterboezem
D
De linkerboezem

Slide 28 - Quiz

Als het bloed door de grote bloedsomloop stroomt, passeert het een aantal delen van het bloedvatenstelsel.
Door welke delen van het bloedvatenstelsel stroomt het bloed achtereenvolgens, als het door de grote bloedsomloop gaat?

A
linker harthelft – organen van het lichaam – rechter harthelft
B
linker harthelft – longen – rechter harthelft
C
rechter harthelft – organen van het lichaam – linker harthelft
D
rechter harthelft – longen – linker harthelft

Slide 29 - Quiz

Welke van de volgende bloedvaten behoren tot de grote bloedsomloop?

aorta – longslagader – onderste holle ader – beenader – longader

A
Alleen de aorta en onderste holle ader
B
De aorta, beenader en onderste holle ader
C
De aorta en de longslagader
D
De longslagader en de longader

Slide 30 - Quiz

Welke bloedvaten zijn verbonden met welke ruimte van het hart?
Linkerkamer
Linkerboezem
Rechterkamer
Rechterboezem
Longslagaders
Holle aders
Longaders
Aorta

Slide 31 - Drag question

Een van de bloedvaten hiernaast vervoert bloed naar de nieren. Welke?
A
Nummer 1
B
Nummer 2
C
Nummer 3

Slide 32 - Quiz

Iemand heeft longontsteking en slikt hiertegen medicijnen.

Via welke weg komen de geslikte medicijnen, na opname in het bloed, in de cellen van de longen terecht?
A
Via de grote bloedsomloop
B
Via de kleine bloedsomloop
C
Via zowel de grote als de kleine bloedsomloop

Slide 33 - Quiz

Welke soort cellen houden ziektemakers tegen zodat die niet in de longen terecht komen?
A
Slijmcellen
B
Trilhaarcellen
C
Slijmcellen en trilhaarcellen
D
Trilharen

Slide 34 - Quiz

Welke soort cellen verplaatsten stofdeeltjes uit de longen
A
Slijmcellen
B
Trilhaarcellen
C
Slijmcellen en trilhaarcellen
D
Trilharen

Slide 35 - Quiz

In welk onderdeel van de longen vindt de uitwisseling van gassen (zuurstof en koolstofdioxide) plaats?
A
Bronchiën
B
Bronchiolen
C
Longblaasjes
D
Luchtpijp

Slide 36 - Quiz

Drie uitspraken:

Willy zegt: In ingeademde lucht zit minder zuurstof dan in uitgeademde lucht
Marc zegt: In ingeademde lucht zit meer koolstofdioxide dan in uitgeademde lucht
Bernard zegt: In ingeademde lucht zit minder waterdamp dan in uitgeademde lucht

Wie heeft/hebben er gelijk?


A
Willy
B
Marc
C
Bernard
D
Alledrie

Slide 37 - Quiz

De stroomrichting van het bloedvat hiernaast is van B richting A.

Geeft B het zuurstofrijke of zuurstofarme bloed aan?

Geeft Y koolstofdioxide of zuurstof aan?
A
B - rijk Y - zuurstof
B
B - rijk Y - koolstofdioxide
C
B - arm y - zuurstof
D
B - arm Y - koolstofdioxide

Slide 38 - Quiz

Een bloedvat is
1 cel dik.
Wat is NIET waar?
A
hierdoor kan vocht met zuurstof
B
hierdoor kan vocht met koolstofdioxide
C
hierdoor kunnen voedingsstoffen
D
hierdoor kan een stukje spaghetti

Slide 39 - Quiz

Wat is waar?
1. Aders: bloeddruk laag
2. Slagaders: dik, stevige, elastische wand
A
beide waar
B
beide nietwaar
C
1: waar 2: nietwaar
D
1: nietwaar 2: waar

Slide 40 - Quiz

Wat is waar?
1. Aders: bloed stroomt weg van de organen
2. Slagaders: liggen meestal diep in het lichaam
A
beide waar
B
beide nietwaar
C
1: waar 2: nietwaar
D
1: nietwaar 2: waar

Slide 41 - Quiz

1. Als de boezems samentrekken dan zijn de hartkleppen....
2. Als de kamers samentrekken dan zijn de hartkleppen....
A
1. Open 2. Open
B
1. Open 2. Dicht
C
1. Dicht 2. Open
D
1. Dicht 2. Dicht

Slide 42 - Quiz

1. Als de boezems samentrekken dan zijn de slagaderkleppen....
2. Als de kamers samentrekken dan zijn de slagaderkleppen....
A
1. Open 2. Open
B
1. Open 2. Dicht
C
1. Dicht 2. Open
D
1. Dicht 2. Dicht

Slide 43 - Quiz

Welke ruimte zal het krachtigst samentrekken bij een hartslag?
A
Linkerboezem
B
Linkerkamer
C
Rechterboezem
D
Rechterkamer

Slide 44 - Quiz

Wat verdeelt de romp in de borstholte en buikholte
A
de maag
B
de lever
C
het middenrif

Slide 45 - Quiz

Een dierlijke cel bestaat uit de volgende onderdelen:
A
celkern, celmembraan, cytoplasma
B
celkern, celmembraan, celwand

Slide 46 - Quiz

Levert de verbranding van glucose tot melkzuur meer of minder energie op dan de verbranding van glucose tot water en koolstofdioxide?
A
Meer
B
Minder
C
Is gelijk

Slide 47 - Quiz

Wat is de reden dat glucose soms verbrand wordt tot melkzuur in plaats van tot water een koolstofdioxide?
A
Tekort aan glucose
B
Tekort aan zuurstof
C
Overschot glucose
D
Overschot zuurstof

Slide 48 - Quiz

De kransaders gaan dus weg van het hartspier. Waarin komen de kransaders uiteindelijk uit?
A
Aorta
B
Longader
C
Longslagader
D
Holle aders

Slide 49 - Quiz

Je bent nu klaar
Ga naar de LessonUps en maak de Lessonups over de onderwerpen waarvan je nu nog niet de antwoorden wist

Ging het goed? Dan kan je verder oefenen op de link van de volgende slide

Slide 50 - Slide

Slide 51 - Link