les 4 Duits B1a kleuren & kleding 1

04-04-2025
1 / 20
next
Slide 1: Slide
DuitsMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 2

This lesson contains 20 slides, with text slides.

Items in this lesson

04-04-2025

Slide 1 - Slide

Willkommen im Deutschunterricht 5



Kleding & kleuren
op tafel:
boek 1
etui
snelhechter 

Wat doen wij in deze les:
- stille opdracht 
- spreken over kleuren en kleding
- stille ontspanning - vragen over toets/afspraken inhalen
- herhaling grammatica 
- werkfase 2: oefenen grammatica
- werkfase 3: opzoeken met het woordenboek


Slide 2 - Slide

Lesdoel
  1. Je weet het thema voor de volgende weken.
  2. Je weet dat vele namen voor kleuren op het Nederlandse woord lijken?
  3. Je kent de persoonlijke voornaamwoorden in het Duits en het ezelsbruggetje om deze te onthouden.

Slide 3 - Slide

STILLE START
Maak de woordjeszoeker kleuren! Kun jij 5 van de 10 woordjes vinden?


Vind de ene fout op de woordjeszoeker!
timer
6:00
stil


Slide 4 - Slide

THEMA: kleren & kleuren
Welke kleur zie jij?

antwoord: Ich sehe die Farbe                             


  • rot.

Slide 5 - Slide

THEMA: kleren & kleuren
Welke kleur zie jij?

antwoord: Ich sehe die Farbe                           



  • gelb

Slide 6 - Slide

THEMA: kleren & kleuren
Welke kleur zie jij?

antwoord: Ich sehe die Farbe   


  • grün                

Slide 7 - Slide

Welche Farben siehst du im Video?
Welke kleuren zie je in de video?

Slide 8 - Slide

THEMA: kleren & kleding
Vindt het verschil !

Das ist ein grünes T-Shirt. (o)
Das ist eine grüne Jacke. (v)
Das ist ein grüner Pullover (m)



               

Slide 9 - Slide

AAN DE SLAG
Neem de woordenlijst (kopie 6) en een
papier/schrift en schrijf 5 zinnen zoals:

Das ist ein rotes T-Shirt. (o)
Das ist ein roter Pullover. (m)
Das ist eine rote Bluse. (v)
timer
10:00
stil


Hierna korte ontspanning

Slide 10 - Slide

Ich sehe, ich sehe etwas,...
und das ist eine Pause

Je blijft stil op je plek zitten.
Je mag je laptop zonder geluid gebruiken.
Je mag lezen.
Je kunt ook naar de docente komen en je toets inzien!

timer
8:00

Slide 11 - Slide

HERHALING
  • habe
  • hast
  • hat
  • hat
  • hat


  • haben
  • habt
  • haben
  • haben
  • bin
  • bist
  • ist
  • sind
  • seid
  • sind

Slide 12 - Slide

AAN DE SLAG 2
Zoek bij de volgende afbeeldingen het Duitse woord
uit het woordenboek op! 
Schrijf de naam & het juiste lidwoord op!

timer
10:00
stil


m = der, v = die, o = das, mv = die

Slide 13 - Slide

grammatica Nederlands

Het is de bruine broek.
Het is een bruine broek.

MAAR
Het is het bruine hemd.
Het is een bruin hemd(o).
grammatica Duits

  • Das ist die braune Bluse (v).
  • Das ist eine braune Bluse (v).
  • Das ist der braune Rock (m).
  • Das ist ein brauner Rock (m).
  • Das ist das braune Hemd (o).
  • Das ist ein braunes Hemd (o).

Slide 14 - Slide

ezelsbruggetje = IDEWIS
persoonlijke voornaamwoorden:
  • ich
  • du
  • er/sie/es
  • wir
  • ihr
  • sie/SIE
ik
jij/u
hij/zij/het
wij
jullie
zij
  • I
  • D
  • E
  • W
  • I
  • S
voor alle werkwoorden in het Duits (behalve sein, werden, hulpwerkwoorden) werkt dit bruggetje 

Slide 15 - Slide

AAN DE SLAG 3
Werk met je buurman/buurvrouw samen

Maak: 
Textarbeitsbuch 1 (blz. 116, 117, 118)
Aufgabe (opdracht) 10, 11, 13, 14


timer
10:00
stil


Wij vergelijken - wir vergleichen

Slide 16 - Slide

Terugblik - hebben wij dit bereikt?
Je weet het thema voor de volgende weken.
Je weet dat vele namen voor kleuren op het Nederlandse woord lijken? 
Je weet dat er een ezelsbruggetje om de persoonlijke voornaamwoorden te onthouden.



Slide 17 - Slide

Slide 18 - Slide

grammatica Nederlands

Het is de bruine jas.
Het is een bruine jas.

MAAR
Het is het bruine hemd.
Het is een bruin hemd (o).
grammatica Duits

  • Das ist die braune Jacke (v).
  • Das ist eine braune Jacke (v).
  • Das ist der braune Pullover (m).
  • Das ist ein brauner Pullover (m).
  • Das ist das braune Hemd (o).
  • Das ist ein braunes Hemd (o).

Slide 19 - Slide

ezelsbruggetje = IDEWIS
persoonlijke voornaamwoorden:
  • ich
  • du
  • er/sie/es
  • wir
  • ihr
  • sie/SIE
ik
jij/u
hij/zij/het
wij
jullie
zij
  • I
  • D
  • E
  • W
  • I
  • S
voor alle werkwoorden in het Duits (behalve sein, werden, hulpwerkwoorden) werkt dit bruggetje 

Slide 20 - Slide