wat zijn werkwoorden - vervoegen in tt

Vandaag
Het is vandaag...................            De datum is ............

Morgen is het .............
Overmorgen is het ..........

Gisteren was het ................
Eergisteren was het ............
Het seizoen is  lente
1 / 32
next
Slide 1: Slide
NederlandsISK

This lesson contains 32 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Vandaag
Het is vandaag...................            De datum is ............

Morgen is het .............
Overmorgen is het ..........

Gisteren was het ................
Eergisteren was het ............
Het seizoen is  lente

Slide 1 - Slide

Lezen
Waarom is (voor)LEZEN belangrijk?

Je ZIET woorden.
Je HOORT woorden.
Je brein ONTHOUDT de woorden.
Je LEERT de woorden.

Slide 2 - Slide

Woordenschrift
Elke dag leer je nieuwe woorden.
Schrijf ze in het kleine schrift.
Vertaal ze in je eigen taal.

Leer de woorden.
Doe dit ook thuis.
timer
5:00

Slide 3 - Slide

Wat leer je / wat doe je ?



* Je leert wat werkwoorden zijn.
* Je leert de vormen van werkwoorden.
* Je maakt een werkblad.

Slide 4 - Slide

alles wat je kunt 
doen....

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide

Regel bij tegenwoordige tijd
Je neemt de IK-VORM
bij JIJ en HIJ/ZIJ komt er een t


werken
ik werk
jij/hij/zij werkt
wij/jullie werken
lopen
ik loop
jij/hij/zij loopt
wij/jullie lopen
zitten
ik zit
jij/hij/zij zit
wij/jullie zitten

Slide 8 - Slide

Enkelvoud (werken)
Ik werk op school
Je/jij werkt op school
Werk je/jij op school?
Hij/ zij werkt op school

Slide 9 - Slide

Meervoud (werken)

Wij/we werken op school
Jullie werken op school
Ze/zij werken op school

Slide 10 - Slide

Enkelvoud (helpen) 
Ik help mijn moeder.
Je/jij helpt mijn moeder.
Help je/jij mijn moeder?
Hij/ zij  helpt mijn moeder. 

Slide 11 - Slide

Meervoud (helpen) 
We/wij helpen mijn moeder.
Jullie helpen mijn moeder. 
Ze/zij helpen mijn moeder. 

Slide 12 - Slide

Enkelvoud (snijden)
Ik snijd het vlees
Je/jij snijdt het vlees
Snijd je/jij het vlees? 
Hij/ zij snijdt het vlees

Slide 13 - Slide

Meervoud (snijden)
We/wij snijden het vlees
Jullie snijden het vlees
Ze/zij snijden het vlees

Slide 14 - Slide

zie volgende dia

Slide 15 - Slide

Slide 16 - Slide

Peter ... zijn moeder.
A
helpen
B
help
C
helpt

Slide 17 - Quiz

Het kind ... in haar boek.
A
kleurt
B
kleur
C
kleuren

Slide 18 - Quiz

Het meisje ... op straat.
A
hinkelen
B
hinkelt
C
hinkel

Slide 19 - Quiz

De jongens ... op het schoolplein.
A
vecht
B
vechten
C
vechtt

Slide 20 - Quiz

Ik ... naar mijn docent.
A
lag
B
lacht
C
lach
D
lachen

Slide 21 - Quiz

De kinderen ... in de lucht.
A
springen
B
springt
C
spring
D
springtt

Slide 22 - Quiz

Het eten ruiken lekker.
Goed
Fout

Slide 23 - Poll

De zon schijnt.
Goed
Fout

Slide 24 - Poll

De jongen bloed aan zijn vinger.
Goed
Fout.

Slide 25 - Poll

Mustafa (kijken) naar de televisie.

Slide 26 - Open question

Mijn vader (begrijpen) de tekst niet.

Slide 27 - Open question

Juf Jenny (luisteren) naar de kinderen.

Slide 28 - Open question

(Drinken) jij een glas cola?

Slide 29 - Open question

(Glijden) jij van de glijbaan?

Slide 30 - Open question

Mijn broer (rijden) op een Fatbike.

Slide 31 - Open question

Slide 32 - Slide