Nederlands Hoofd- en bijzaken

§5 Hoofd- en
bijzaken
1 / 29
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 29 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

§5 Hoofd- en
bijzaken

Slide 1 - Tekstslide

timer
2:00
Je hebt 2 minuten om: 
- Je boeken te pakken 
- Pen te pakken 
- Toiletbezoek 
- Iets uit het kluisje te halen

Slide 2 - Tekstslide

Wat gaan we doen vandaag?
- 10 minuten lezen  
- Starten met paragraaf 5
- Aan de slag



Aan het eind van de les: 
- Kan je onderscheid maken tussen hoofd- en bijzaken in een tekst.
- Kan je bepalen wat de kernzin van een alinea is.






Slide 3 - Tekstslide

De belangrijkste informatie in een tekst of een video noem je hoofdzaken.
Wat niet zo belangrijk is, noem je een bijzaak.
Een bijzaak is een toelichting (meer informatie
of uitleg) of een voorbeeld. 

Signaalwoorden waaraan je kunt zien dat er een toelichting of een voorbeeld volgt, zijn: zo, onder andere, dat wil zeggen, je moet daarbij denken aan, met andere woorden, neem nou, bijvoorbeeld en zoals.
Hoofd- en bijzaken

Slide 4 - Tekstslide



Zo vind je hoofdzaken: 


  • De hoofdzaken van een tekst of video vind je vaak in
    de inleiding of in het slot van een tekst.
  • Hoofdzaken vind je ook in de kernzinnen.
    Vaak is de kernzin van een alinea de eerste of de laatste zin.

Slide 5 - Tekstslide

De kernzin (belangrijkste zin, hoofdzaak) vind je vaak in de ... zin van een alinea.
A
eerste
B
derde
C
zesde
D
laatste

Slide 6 - Quizvraag

Hoofdzaken staan in een tekst vaak ... van de tekst
A
in de inleiding
B
in het middenstuk
C
in het slot

Slide 7 - Quizvraag

In tekst 3 komt een aantal lastige woorden voor. 
Maak de juiste combinaties.
kwaad, boos of geërgerd
eenvoudige, gemakkelijk herkenbare afbeeldingen
geprikkeld, beledigd
een afgebakend gebied
territorium
gepikeerd
pictogrammen
verontwaardigd

Slide 8 - Sleepvraag

Klassikaal 
Opdr. 2 

Slide 9 - Tekstslide

In tweetallen
- Opdr. 3; bespreken we na de 10 minuten
- Klaar? Dan kan je bezig met opdr. 5 en 6
(Is huiswerk)

timer
10:00

Slide 10 - Tekstslide

De belangrijkste informatie in een tekst of een video noem je hoofdzaken.
Wat niet zo belangrijk is, zijn bijzaken.
Een bijzaak is een toelichting (meer informatie
of uitleg) of een voorbeeld. 

Signaalwoorden waaraan je kunt zien dat er een toelichting of een voorbeeld volgt, zijn: zo, onder andere, dat wil zeggen, je moet daarbij denken aan, met andere woorden, neem nou, bijvoorbeeld en zoals.
Hoofd- en bijzaken

Slide 11 - Tekstslide


Feit, mening
en argument




Een feit is iets waarvan je kunt controleren of het waar of onwaar is:
  • Het Nederlands Openluchtmuseum is een museum in Arnhem.
  • In Amsterdam wonen 110 verschillende nationaliteiten.

Slide 12 - Tekstslide

Welk van de volgende zinnen is géén feit?
A
Mijn vriendin is morgen jarig.
B
Spruitjes zijn best lekker.
C
De voetbaltraining duurt anderhalf uur.
D
Wolven worden niet als huisdieren gehouden.

Slide 13 - Quizvraag

Welk van de volgende zinnen is een feit?
A
Kinderarbeid zou verboden moeten worden.
B
Dat nieuwe nummer klinkt supergoed!
C
Wat een leuke jas heb je aan.
D
We hebben vandaag maar drie lesuren.

Slide 14 - Quizvraag


Feit, mening
en argument




Een mening of standpunt is wat iemand van iets vindt. Met een mening kun je het eens of oneens zijn. Een mening herken je vaak (maar niet altijd) aan signaalwoorden als ik vind, volgens mij, lijkt mij, daarom, dan ook en dus en aan formuleringen als er moet, er zou moeten en we zouden moeten.

Slide 15 - Tekstslide

Welk van de volgende zinnen is géén mening?
A
Joost is dol op skiën.
B
Dierproeven zijn onnodig.
C
De nieuwe auto van oma is echt een bejaardenkarretje.
D
Sommige kleuren staan jou echt niet.

Slide 16 - Quizvraag

Welk van de volgende vragen bevat een mening?
A
Hoeveel kilometer moeten we nog rijden?
B
Ga je naar dat kinderachtige feest?
C
Heb je je huiswerk af?
D
Hou je van skeeleren?

Slide 17 - Quizvraag

Er moet naast NPO 1, 2 en 3 een speciale jongerenzender komen.
A
Feit
B
Mening

Slide 18 - Quizvraag

Schaatser Thomas Krol werd in maart 2022 in het Noorse Hamar wereldkampioen op de sprint.
A
Feit
B
Mening

Slide 19 - Quizvraag

De rotonde vlak bij onze school kan beter omgebouwd worden tot een kruispunt met stoplichten.
A
Feit
B
Mening

Slide 20 - Quizvraag

Feit, mening
en argument


Als iemand zegt waaróm hij een bepaalde mening heeft, gebruikt hij een of meer argumenten. Een argument herken je vaak (maar ook niet altijd) aan signaalwoorden als want, omdat, immers en namelijk:

- Er moeten verkeersdrempels in deze straat komen (mening), want er wordt hier veel te snel gereden (argument).
Mick zou op basketbal moeten gaan (mening); daar is hij met zijn lengte van ruim twee meter namelijk erg geschikt voor (argument 1). Bovendien is hij erg handig met een bal (argument 2).

Slide 21 - Tekstslide

Welke zin bevat géén argument?
A
Ik blijf vandaag lekker binnen, want het stormt.
B
Mijn zus is jarig en geeft vanmiddag een feest.
C
Rode auto's zijn stoer, want een Ferrari is ook rood.
D
Omdat hij bang is, durft hij niet in de python.

Slide 22 - Quizvraag

Wat is het argument bij de mening: 'Daarom vind ik dat ons onderwijs niet goed is ingericht voor de ontwikkeling van ieder talent.' (al. 3)?
A
We houden er te weinig rekening mee dat de samenleving ieder talent keihard nodig heeft
B
Bedrijven staan te springen om jonge werknemers die een vak hebben geleerd.
C
In de zorg is er nog steeds een grote vraag naar handen aan het bed, in plaats van naar 'hoofden'.
D
Er wordt geen argument bij dat standpunt gegeven.

Slide 23 - Quizvraag

Bedenk een argument bij het standpunt 'Schoolboeken moeten worden afgeschaft'.

Slide 24 - Open vraag

Wat?
Cursus 1 §6 Feit, mening, standpunt en argument. Opdracht 6 op bladzijde 40-41.
Hoe?
Zelfstandig. Werk de antwoorden uit in je schrift.
Hulp
De theorie in deze LessonUp en de uitleg op blz. 37..
Tijd
Vijf minuten, daarna gaan we nakijken.
Waarom?
Om opdracht 7 hierna goed voorbereid
te kunnen maken.
Klaar?
Werk alvast verder aan opdracht 8 op blz. 41-42.
Voorbereiden
timer
5:00

Slide 25 - Tekstslide

  • Je kunt onderscheid maken tussen hoofd- en bijzaken in een tekst.
  • Je kunt bepalen wat de kernzin van een alinea is.
Lesdoelen

Slide 26 - Tekstslide

Ik herken het verschil tussen hoofd- en bijzaken in een tekst.

0 = echt (nog) niet / 10 = gaat al heel goed
010

Slide 27 - Poll

Ik weet hoe ik de kernzinnen in alinea's kan vinden.

0 = echt (nog) niet / 10 = gaat al heel goed
0100

Slide 28 - Poll

Neem deel onze LessonUp klas
Wat kun je hier vinden?
  • LessonUps
  • Video's
  • Handige websites 

Klassencode
u2ta: qjffs
u2tb: sgmrx
u2ta: dqymz

Slide 29 - Tekstslide