In deze les zitten 25 slides, met tekstslides en 1 video.
Lesduur is: 80 min
Onderdelen in deze les
Slide 1 - Tekstslide
Wat moeten jullie straks kennen en kunnen?
Oftewel, wat is het doel van deze les?
Hoofd- en bijzaken onderscheiden in een tekst.
Je leert het onderwerp en de hoofdgedachte van een tekst of een filmpje bepalen.
Maar eerst een terugblik (feiten en mening)
Slide 2 - Tekstslide
apps.noordhoff.nl
Slide 3 - Link
1-Een feit hoeft niet gecontroleerd te worden.
Waar/Niet waar
2-Wat is een ander woord voor mening?
Standpunt/Argument
3-Noem twee signaalwoorden waaraan je een mening kunt herkennen.
4-Noem 3 signaalwoorden waaraan je een argument kunt herkennen.
Slide 4 - Tekstslide
Signaalwoorden
Argumentatie
omdat, daarom, dus, om die reden.
doordat, daardoor, waardoor, zodat.
met het doel dat, om te, opdat, teneinde, waartoe.
want, namelijk, immers.
zodat, met het gevolg dat, ten gevolge van.
kortom.
dat heeft geleid tot.
Slide 5 - Tekstslide
Signaalwoorden waaraan je een mening kunt herkennen.
Ik vind ...
Volgens mij …
Naar mijn mening …
“Ik geloof dat …
Slide 6 - Tekstslide
Noem drie signaalwoorden waaraan je een argument kunt herkennen:
want
omdat
dus
immers
daarom
Slide 7 - Tekstslide
Geef aan of de volgende uitspraken een feit of een mening zijn.
1. "Als je in de supermarkt werkt, verdien je veel geld."
2. "Als je te laat op school komt, moet je je melden."
3. "Als je niet kunt leren, kun je toch een leuke baan krijgen."
4. "Ik vind het raar om leraren met 'u' aan te spreken."
5. "Gisteren is er een ongeluk gebeurd op de a4."
6. "Sporten is heel erg leuk."
7. "Als je meer calorieën verbrandt dan dat je eet, val je af."
8. "Volgens mijn moeder zijn honden hele vieze beesten."
Slide 8 - Tekstslide
1-Een feit hoeft niet gecontroleerd te worden.
Niet waar
2-Wat is een ander woord voor mening?
Standpunt
3-Noem twee signaalwoorden waaraan je een mening kunt herkennen.
ik vind, volgens mij
4-Noem 3 signaalwoorden waaraan je een argument kunt herkennen.
want, omdat, namelijk, immers
Slide 9 - Tekstslide
Geef aan of de volgende uitspraken een feit of een mening zijn.
1. "Als je in de supermarkt werkt, verdien je veel geld." mening.
2. "Als je te laat op school komt, moet je je melden." feit.
3. "Als je niet kunt leren, kun je toch een leuke baan krijgen." mening.
4. "Ik vind het raar om leraren met 'u' aan te spreken." mening.
5. "Gisteren is er een ongeluk gebeurd op de a4." feit.
6. "Sporten is heel erg leuk." mening.
7. "Als je meer calorieën verbrandt dan dat je eet, val je af." feit.
8. "Volgens mijn moeder zijn honden hele vieze beesten." mening.
Slide 10 - Tekstslide
De belangrijkste informatie in een tekst noemen we de hoofdzaken. Wat minder belangrijk is, zoals een anekdote, een toelichting (voorbeeld) of een vergelijking, zijn de bijzaken.
De hoofdzaken van een tekst vind je vaak op voorkeursplaatsen, zoals de inleiding en het slot van een tekst en het begin of het einde van een alinea.
Slide 11 - Tekstslide
De zin die de hoofdzaak van een alinea bevat, is de kernzin.
Dat is meestal de eerste zin en soms de laatste.
Ook de tweede zin is weleens de kernzin.
In dat geval is de eerste zin een inleidende zin en/of geeft hij het verband met de vorige alinea(’s) aan.
Soms heeft een alinea geen kernzin. Je moet de hoofdzaak dan zelf bepalen.
Slide 12 - Tekstslide
Als je een tekst moet onthouden, kun je de hoofdzaken in een samenvatting zetten of in een schema.
Zo maak je een samenvatting van een tekst
Lees de tekst precies.
Onderstreep tijdens het lezen de hoofdzaken.
Let op de voorkeursplaatsen.
Kijk ook goed naar opvallend gedrukte woorden en signaalwoorden die een tekstverband aangeven.
Neem de hoofdzaken over.
Maak er een samenhangende tekst van door verbanden te leggen en die aan te geven met signaalwoorden.
Slide 13 - Tekstslide
Zo maak je een schema van een tekst
Lees de tekst precies.
Onderstreep tijdens het lezen de hoofdzaken.
Let op de voorkeursplaatsen.
Kijk ook goed naar opvallend gedrukte woorden en signaalwoorden die een tekstverband aangeven.
Noteer tijdens het lezen de belangrijkste informatie uit de tekst.
Geef opsommende verbanden aan met nummers (1, 2, 3), dots (●), of streepjes (-); gebruik pijltjes voor oorzaak-gevolg (→) en tegenstelling (↔).
Slide 14 - Tekstslide
Slide 15 - Video
Even checken. Wie vertelt mij nog even wat we zojuist hebben gehoord?
Geen vingers, ik geef de beurt aan ..............................................
Slide 16 - Tekstslide
Aan de slag
Slide 17 - Tekstslide
Slide 18 - Tekstslide
apps.noordhoff.nl
Slide 19 - Link
Onderwerp: Zo vind je het onderwerp van een tekst
Lees de tekst oriënterend.
Geef een zo kort mogelijk antwoord op de vraag: waarover gaat deze tekst?
Slide 20 - Tekstslide
Hoofdgedachte
De hoofdgedachte van een tekst is één zin die het belangrijkste samenvat wat in de tekst over het onderwerp gezegd wordt.
Let op: de hoofdgedachte van een tekst is nooit een vraag
Slide 21 - Tekstslide
Zo vind je de hoofdgedachte van een tekst
Lees de tekst precies.
Kijk aan het begin en het eind van de tekst of de hoofdgedachte daar letterlijk staat.
Als de hoofdgedachte niet in de tekst staat, vraag je dan af wat het antwoord is op de volgende vraag: wat is het belangrijkste wat in de tekst over het onderwerp gezegd wordt?