25 maart

Wat doen we vandaag?
  • Vragen grammatica?
  • Bespreken Opdrachten 47 en 49 t/m 57
  • Delphi
1 / 23
next
Slide 1: Slide
GrieksMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 23 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 50 min

Items in this lesson

Wat doen we vandaag?
  • Vragen grammatica?
  • Bespreken Opdrachten 47 en 49 t/m 57
  • Delphi

Slide 1 - Slide

Vragen Grammatica?

Slide 2 - Open question

Geen vragen (meer)?
  • Maak maar twee rijtjes.... 

Slide 3 - Slide


Hulpboek blz. 122

Bijzonderheden Augment


Slide 4 - Slide

Hulpboek blz. 123
Maak Ergon 17.


timer
10:00

Slide 5 - Slide


Hulpboek blz. 124

Bijzonderheden Augment


Slide 6 - Slide

Slide 7 - Slide

Een houten paard


Taalboek blz. 62. 
Hulpboek blz.56, 
Opdrachten 47

Slide 8 - Slide

Opdracht 47
  • a De Trojanen beschouwden hun dood als een straf van de goden en brachten uit angst het paard zo snel mogelijk naar Troje; ze begrepen namelijk het gevaar niet.
  • b De imperfecta ἐνόμιζον en ἐγίγνωσκον geven aan dat de situatie voortduurt en nog niet is afgerond. De Trojanen weten nog steeds niet beter op dit moment in het verhaal. De aoristus ἤγαγον geeft een afgerond proces aan. De Trojanen brengen daadwerkelijk het paard de stad in.

Slide 9 - Slide

De val van Troje


Taalboek blz. 64. 
Hulpboek blz.58, 
Opdrachten 49 t/m 53

Slide 10 - Slide

Opdracht 49
  • De Odyssee is het vervolg op de Ilias en vertelt het verhaal van de terugreis van Odysseus na de val van Troje.

Slide 11 - Slide

Opdracht 51
  • a r. 499 ἀοιδήν                                      zanger
  • b r. 501 πῦρ                                            vuur
  • c r. 502 ἀγακλυτὸν … Ὀδυσῆα        de held Odysseus
  • d r. 503 ἐνὶ Τρώων ἀγορῇ                op het marktplein van de Trojanen
  • e r. 503 ἵππῳ                                         paard
  • f r. 504 γὰρ                                            want

Slide 12 - Slide

Opdracht 52
  • a Op het schilderij is te zien: het paard van Troje, vechtende soldaten met Griekse helmen op en de godin Athena, hoog op een soort torenspits.
  • b De hele stad lijkt meer op een stad uit de 18de eeuw: bruggen, huizen en kerktorens.

Slide 13 - Slide

Opdracht 53
  • Net als bij het paard van Troje is de dreiging van een Trojan Horse, een virus, onzichtbaar in het bestand verborgen dat je binnenhaalt. 

Slide 14 - Slide

Mythe en werkelijkheid


Taalboek blz. 66. 
Hulpboek blz.60, 
Opdrachten 54 t/m 57

Slide 15 - Slide

Opdracht 55
  • a Hij geloofde dat hij met Homeros in de hand Troje kon vinden, terwijl de wetenschappers uit zijn tijd dachten dat het maar een verzonnen verhaal was en niet echt gebeurd; hij groef op met dynamiet en graafmachines.
  • b Hij heeft zijn opgravingen en vondsten nauwkeurig gedocumenteerd en sommige opgravings- technieken die hij uitprobeerde in Troje zijn naderhand overgenomen.

Slide 16 - Slide

Opdracht 54
  • a De Ilias laat zien hoe desastreus een oorlog is voor alle betrokkenen en dat is nog steeds een relevante boodschap.
  • b Eigen verwerking. Bijvoorbeeld: Het is al een heel oud verhaal en daarom is het interessant; ik houd van verhalen over goden en helden.
  • c Eigen verwerking. Bijvoorbeeld: Goed Engels kunnen spreken en schrijven, goed met computers kunnen omgaan.
  • d Eigen verwerking.

Slide 17 - Slide

Opdracht 56
  • De hoge, grote muren van een stad die door brand verwoest leek te zijn deden hem denken aan de beschrijving van Troje van Homeros.

Slide 18 - Slide

Opdracht 57
  • a Het masker wordt gedateerd in de 16de eeuw ( 1550-1500 v.Chr.). Het verhaal van de Trojaanse oorlog speelt zich af in de 13de/12de eeuw.
  • b Het kostbare masker duidde op een beroemde koning, dus Agamemnon. Indirect zou het het bewijs zijn dat de Trojaanse oorlog echt bestaan had, en Troje dus ook.

Slide 19 - Slide

Aan het werk.
  • Leer Hulpboek blz. 156, 1 t/m 16.
  • Leer Hulpboek blz. 140 t/m 150.
  •  Lees Tekstboek blz. 68 t/m 72
  • Maak Hulpboek Hulpboek blz. 63-64,  Opdrachten 1, 2, 6, 7, 9.

Dit is ook huiswerk. 

Slide 20 - Slide

Opdracht
  • Ieder krijgt (ongeveer) 2 zinnen toegewezen.
  • Benoem ieder woord in de zin.
  • Bij naamwoorden: geef naamval, geslacht, getal
  • Bij werkwoorden: geef modus, tijd, these, aspect, persoon.
  • Geef bij naamwoorden de (vermoedelijke) functie in de zin, of geef aan of dit een vaste aanvulling is (waarbij?)

Slide 21 - Slide

Wat heb je vandaag geleerd?

Slide 22 - Open question

Wat is nog onduidelijk?
Waar wil je meer over weten?

Slide 23 - Open question